Het begrip ‘safari’ heeft door de jaren heen steeds meer betekenissen gekregen. Het woord komt oorspronkelijk uit het Swahili. Swahili is de taal die door ongeveer 50 miljoen mensen gesproken worden, voornamelijk in Oost-Afrika.
Safari betekent ‘reis’. In Kenia en Tanzania wordt vaak safari njema gezegd. Als iemand dit tegen je zegt dan wenst hij of zij jou een goede reis.
Het woord safari is eigenlijk in vrijwel elk westerse land een bekend woord. Het is een van de weinige woorden die ook gebruikt wordt in deze westerse landen. Het woord betekent eigenlijk overal hetzelfde. Namelijk het op reis gaan om wilde dieren, die zich in hun natuurlijke omgeving bevinden, te spotten.
Big Five
Veel mensen gaan tijdens hun safari op zoek naar de zogenaamde big five. Dit waren oorspronkelijk de vijf dieren die de jagers het liefst meenamen, namelijk de buffel, de olifant, de leeuw, de luipaard en de zwarte neushoorn.
Tegenwoordig gaat het erom om de big five op de foto te zetten. Maar we kunnen ook gerust spreken van een big nine. Zet de zebra, giraf, nijlpaard en de cheeta er maar gerust bij.







